diameter ca 1.800 mm). De katrolbehuizing wordt in in het pijpstuk gefreesde sleuven geschoven en vastgelast. Dan wordt de schijf in de katrolkooi geschoven, de as wordt door de kooi en de schijf heen gestoken en vastgezet. Door de as te verwijderen kan de schijf uit de kooi worden gehaald en zonodig vervangen.
Het werkt als volgt: een sleper sleept de trekkop over de zeebodem aan een kabel die om de kabelschijf heen zit. Aan de flens is de pijpleiding vastgemaakt die verderop aan boord van een pijplegschip uitkomt. Op de pijpenlegger wordt steeds een pijpsegment aan de leiding toegevoegd waarna de sleper de kop -met de hele pijpleiding eraan vast- iets verder trekt. Dit gaat zo door tot de pijpleiding klaar is.
Ondanks dat dit een groot en zwaar –totaalgewicht ca. 8.000 kg- werkstuk betrof, moest het voorbereiden, voorbewerken, lassen, samenbouwen en testen uiterst nauwkeurig gebeuren. Er worden enorme krachten op uitgeoefend zodat de kleinste standafwijking tussen katrol en body of een miniem lasfoutje al grote problemen kan veroorzaken. Bovenop de pull head zijn aansluitingen aangebracht voor b.v. het intern schoonmaken en het regelen van het drijfvermogen. Een kooiconstructie beschermt deze appendages. De flensverbinding tussen de kop en het eerste pijpsegment wordt beschermd door twee halfronde deksels. Alle componenten -inclusief de kabelschijf- zijn bij Draaicentrum gemaakt en samengebouwd, alleen het spuiten met een speciale coating is buitenshuis gebeurd.
De ‘pull head’ zal worden ingezet bij een project in Zuid-Amerika.
|